De Navelstreng van de Gang

Bellen was vroeger geen snelle handeling, het was een fysieke uitputting. We hadden geen smartphone in onze broekzak; we hadden de T65. Een grijs, onverwoestbaar bakbeest dat als een soort huisaltaar op een tafeltje in de gang stond.

Vastgeketend aan de muur met een krulsnoer dat vaker in de knoop zat dan een bord spaghetti.

Privacy? Vergeet het maar. Als ik mijn vriendinnetje wilde bellen voor de dagelijkse update over wie er verliefd was op wie, stond ik daar in de tochtige gang.

Op drie meter afstand zat mijn vader met de krant te zuchten en mijn moeder stond in de keuken met een kleffe theedoek de soeppan droog te wrijven. Iedereen luisterde mee. "Is het nou nog niet klaar? De lijn moet vrij blijven voor tante Sjaan!"

Je voelde de druk van elke seconde. Je probeerde intieme details te bespreken in codetaal, terwijl je moeder ondertussen vroeg of je nog boter en suiker op je rijst wilde.

En dan die draaischijf. Dat was pas een test voor je karakter. Als je vriendinnetje toevallig een nummer had met veel negens of nullen, was je een halve middag onderweg. Vinger in het gaatje, doordraaien tot het metalen palletje, en dan... Rrrrrrrrrrrrrrt. Wachten tot dat ding weer terug was.Was je eindelijk bij het laatste cijfer en schoot je vinger uit? Jammer joh! Dan kon je weer helemaal opnieuw beginnen.

Tegen de tijd dat je daadwerkelijk verbinding had, was je vinger blauw en was de helft van de roddels alweer verjaard.

En als je het nummer niet wist, had je geen Google. Nee, dan moest je die enorme baksteen uit de kast trekken: De Telefoongids. Een boek zo dik dat je er een verzakte hernia van kreeg. Bladeren door duizenden pagina's flinterdun papier om de juiste 'Janssen' te vinden. Stonden er driehonderd in. "Woonde ze nou op de Prinsenlaan of de Prinsenstraat?" Gokken maar.

En als je dan eindelijk de juiste had, kon je weer beginnen met dat gedraai. Rrrrrrrrrrrrrrt."

Bellen was ook een mijnenveld. Je belde namelijk niet naar een persoon, je belde naar een gezin. Je kreeg negen van de tien keer eerst haar norse vader aan de lijn.

"Met de heer De Vries. Wie is daar?" Dan stond je daar als puber met het zweet in je naad te stotteren of "Annet ook thuis was". Je probeerde zo volwassen mogelijk te klinken, (wat moeilijk was met de baard in je keel.) terwijl je moeder op de achtergrond riep dat je je schoenen uit moest doen in de gang.

Maar het grootste gevaar zat in het afsluiten. We hadden geen 'verbreek knop'; die loodzware hoorn moest precies in de inkepingen vallen. Ik herinner me nog dat ik eindelijk klaar was met een gesprek met dat griezelige ventje van verderop, die me uren aan de lijn hield met vage verhalen

.Ik dacht dat ik hem erop had liggen en mijn moeder riep direct vanuit de keuken: "Was dat dat griezelige ventje van verderop weer? " Wat een kutjoch is dat toch, "

En ineens zag ik dat de hoorn nog wiebelde en ik hoorde uit de hoorn " ik hoor je moeder wel hoor"

Ik heb een week niet langs zijn huis durven fietsen .
Bellen wat toen nog een groot avontuur.

Gerard Krispijn.