Daar sta ik dan om 08:30 uur voor de badkamerspiegel. De zon schijnt, de vogels fluiten een vrolijk deuntje en ik voel me de reïncarnatie van Moeder Teresa, maar dan met een hipper kapsel.

"Vandaag," spreek ik mijn spiegelbeeld vermanend toe, "word ik een baken van licht. Ik ga extra lief doen tegen de zuurpruimen. Ik word de menselijke variant van een warme appeltaart."

Met een aura van pure goedheid stap ik de deur uit. Ik laat een fietser voorgaan (hij steekt zijn middelvinger op, ik glimlach sereen terug). Ik aai een hond die tegen mijn nieuwe broek kwijlt. Ik ben een heilige. Een onverwoestbaar monument van tolerantie.

En dan... trek ik de zware deur van de huisartsenpraktijk open.
Het begint bij de balie. De assistente is verwikkeld in een telefoongesprek met iemand die blijkbaar zijn hele medische geschiedenis vanaf de ijstijd wil doornemen. Ik wacht. Met de geduldige blik van een Tibetaanse monnik.

Mijn innerlijke Rita Corita neuriet nog zachtjes over dat bakkie troost waar een mens zo van opknapt.
Maar zodra ik de wachtkamer betreed, brokkelt mijn heiligverklaring sneller af dan een goedkope biscuit.

In de hoek zit 'De Zeehond': een man die een hoest produceert die klinkt alsof er een grindbak wordt leeggestort in een echoput. Elke keer als hij blaft, zie ik in slow-motion een wolk bacteriën mijn kant op zeilen. "Gezondheid," mompel ik met een glimlach die inmiddels meer op een zenuwtik begint te lijken.

Tien minuten later. Mijn afspraak was om 09:15 uur. Het is nu 09:40 uur. De deur gaat open en de dokter roept een vrouw binnen die pas nét binnenkwam. "Spoedgevalletje," sist mijn interne criticus, die Moeder Teresa inmiddels hardhandig de mond heeft gesnoerd. Mijn baken van licht begint gevaarlijk te flikkeren.

Dan is er 'De Telefoongesprek-Voerder'. Tegenover me besluit een vrouw dat dit hét moment is om op speakerphone haar scheiding door te nemen met tante Sjaan. "JA SJAAN, HIJ HEEFT DE GOUDVISSEN MEEGENOMEN! OOK DIE MET DIE BULT!"

Ik probeer te focussen op de Libelle uit 2019 die op de tafel ligt, maar de tekst danst voor mijn ogen. Ik wil lief zijn. Ik wil vragen: "Goh, wat vervelend voor u en die goudvis," maar wat eruit komt is een diepe, resonerende zucht die de laatste restjes van mijn goede voornemen de gang op blaast.

Eindelijk gaat de deur open. De dokter kijkt de gang in. "Sorry dat het wat uitloopt," zegt hij met een vermoeide blik.

Mijn kans. Dit is het moment voor de extra lieve actie. Ik kan zeggen: "Geeft niets dokter, u heeft het ook druk." Maar de wachtkamer-waanzin heeft me te pakken.

Ik kijk op mijn horloge, kijk naar de zeehond naast me, kijk naar de goudvis-vrouw en zeg: "Geen probleem hoor dokter... ik zat net te overwegen om hier officieel mijn post te laten bezorgen. Heeft u de verhuisformulieren al klaarliggen?"

Buiten op de stoep besef ik het: de heilige is dood. De appeltaart is verbrand. Ik heb nu heel hard een bakkie troost nodig. En een borrel.

Gerard Krispijn