Er zijn mensen die ontspannen een vliegtuig instappen, een oogmasker opzetten en pas wakker worden als de wielen de grond raken. Ik haat die mensen.

Voor mij begint de vliegangst namelijk al bij het inpakken, wanneer ik me afvraag of mijn favoriete onderbroek wel representatief genoeg is voor de patholoog-anatoom.

Vliegen is de enige activiteit waarbij we massaal doen alsof het volstrekt normaal is om in een aluminium buis op tien kilometer hoogte te zweven, terwijl we eten uit een plastic bakje dat smaakt naar de vage hoop op overleving. "Het is de veiligste manier van reizen," roept de statistiek-fanaat dan. Leuk geprobeerd, maar ik heb nog nooit gehoord van een fiets die plotseling uit de lucht viel omdat er een gans in de trappers vloog.

Mijn ritueel begint bij de gate. Ik scan de piloot. Kijkt hij uitgerust? Heeft hij die ochtend ruzie gehad met zijn vrouw? Als hij te vrolijk kijkt, vertrouw ik het niet. Als hij te serieus kijkt, heeft hij vast slecht nieuws gekregen over de linkerflank. Er is geen middenweg.

Eenmaal binnen begint de symfonie van terreur. Elk geluidje is een doodvonnis.

" Klonk. "Dat was het landingsgestel," zegt de stewardess geruststellend. "Dat was het einde," denkt mijn brein. En dan de turbulentie. Dat moment waarop het vliegtuig een klein huppeltje maakt en 150 volwassenen tegelijkertijd naar de armleuningen grijpen alsof dat de zwaartekracht gaat tegenhouden.

Het toppunt van ironie is de veiligheidsinstructie. De stewardess legt met een ijzingwekkende kalmte uit hoe je een reddingsvest opblaast. In de oceaan. Nadat je met 800 kilometer per uur uit de lucht bent gedonderd. Alsof dat fluitje aan het vest het verschil gaat maken. "Kijk, daar drijft Geer hij fluit 'Altijd is Kortjakje ziek', hij komt er wel!"

En toch, als we eenmaal geland zijn en dat agressieve remmen begint, voel ik me een held. Ik stap uit, kus (bijna) de grond en zweer dat ik nooit meer ga. Totdat ik die goedkope tickets naar de zon zie. Want hé, een beetje doodsangst is een kleine prijs voor een lauw biertje aan een Spaans strand, toch?

Gerard Krispijn