Daar stond ik dan, aan de waterkant in Grou. Afgevallen, vol goede moed en gehuld in een outfit die zo strak zat dat mijn organen spontaan een nieuwe rangorde moesten bepalen.
De man van de vereniging had het nog zo mooi gezegd: "Goed voor je core, je benen, je armen!" Wat hij vergat te melden: "En uitstekend voor je gevoel van eigenwaarde... als je dat tenminste bij het botenhuis achterlaat."
Het begon al bij het 'pakkie'. Ik dacht dat ik er sportief uitzag, maar in de spiegel leek ik meer op een te strak ingepakte rollade die elk moment uit zijn netje kon springen. "Het moet nauwsluitend zijn," zeiden ze, "anders komt je broek tussen de wieltjes." Nou, ik kan u vertellen: die broek ging nergens heen. Sterker nog, ik denk dat ik nu nog steeds de afdruk van de naden in mijn dijen heb staan.
Toen het moment van de waarheid: de instap. Een roeiboot is blijkbaar niet ontworpen voor mensen met zwaartekracht. Terwijl de rest van de ploeg gracieus als zwanen plaatsnam, deed ik een imitatie van een pasgeboren giraf op glad ijs.
"Stap in het midden!" riepen ze. Ik stapte overal, behalve in het midden. Het resultaat? Een boot die vervaarlijk begon te hellen en drie ervaren roeiers die collectief hun adem inhielden (en waarschijnlijk een schietgebedje deden voor hun behoud).
Eenmaal gezeten begon het echte werk.
"Benen, rug, armen," galmde het over het water. In mijn hoofd klonk het als een ritmisch gedicht, maar mijn lichaam vertaalde het als een kortsluiting in een flipperkast. Bij de eerste haal sloeg ik een 'snoek' – roeiersjargon voor: je riem blijft in het water haken en het handvat lanceert zichzelf richting je kin. Terwijl ik probeerde mijn voortanden te tellen, dreef de rest van de boot rustig verder.
"Kijk naar de rug van je voorganger!" was de volgende instructie. Dat deed ik. Ik zag alleen geen techniek, ik zag enkel een muur van lycra en de bittere realiteit dat mijn 'core' momenteel bestond uit pure paniek en een lichte neiging tot zeeziekte.
Na een uur 'genieten' op het Pikmeer strompelde ik de kant op.
Mijn benen voelden als drilpudding, mijn armen waren vijf centimeter langer en ik had spierpijn op plekken waarvan ik niet wist dat er spieren zaten. Maar hé, ik ben niet omgeslagen, ik heb niemand met een riem onthoofd én mijn pakkie is niet gescheurd.
Of ik volgende week weer ga? Laten we zeggen dat ik eerst even moet wachten tot mijn organen weer op hun oorspronkelijke plek liggen.
Gerard Krispijn.
© 2026