Als kind in de jaren ’70 bestond je leven uit twee dingen: hopen dat de vla op was zodat je geen vel hoefde te eten, en bidden dat die witte schooltandartsbus niet de straat in draaide.

Dat onding zag eruit als een ijscowagen, maar dan eentje die alleen maar verdriet en de geur van kruidnagel verkocht.
Zodra de juf met die ijzige blik de klas in keek en je naam riep, wist je: het vonnis is geveld. Je liep over het schoolplein als een ter dood veroordeelde naar het schavot.

De bus trilde van de stationair draaiende dieselmotor, wat precies paste bij het trillen van je eigen knieën. Binnenin regeerde de tandarts, een man die waarschijnlijk in zijn vrije tijd betonvloeren opensloopte.

Verdoving? "Ben je gek, knul, dat is voor watjes. Hier, bijt op deze wattenrol en denk aan de koningin." Terwijl hij met een boor die klonk als een op hol geslagen cirkelzaag in je glazuur aan het hakken was, vroeg hij doodleuk wat je later wilde worden. "Auw-ghhu-blu," was het enige logische antwoord.

Maar de echte verwarring begon pas bij de schooldokter. Dat was geen medisch consult, dat was een auditie voor een circus waar je niet bij wilde horen.

Je moest je uitkleden in een hokje dat naar oude gymschoenen en linoleum rook, tot je daar stond in je veel te strakke onderbroek met een rafelig randje. En dan kwam het grote moment waar generaties mannen nog steeds therapie voor nodig hebben.

De dokter keek je aan en zei de magische woorden: "En nu even hard op je hand blazen, jongeman."
Daar stond je dan. Halfnaakt, blazend op je eigen vuist alsof je een lekke band probeerde op te pompen, terwijl de dokter met ijskoude vingers aan je klokkenspel zat te frunniken. Geen uitleg, geen context. Je dacht oprecht: Is dit een nieuwe manier om muziek te maken? Moet ik een toonladder blazen? Terwijl jij daar stond te hyperventileren op je knokkels, mompelde hij iets over "indaling" en "liesbreuken", maar voor jou voelde het vooral alsof je werd gekeurd voor de export.

Als je geluk had, kreeg je na afloop een sticker van een lachende appel. Een appel! Terwijl je net een trauma had opgelopen waar een gemiddelde commando nog van zou gaan huilen. Je liep terug naar de klas, trok je ribfluwelen broek weer op en dacht: Ik heb de bus overleefd en mijn knikkers zijn goedgekeurd. Laat dat weekend maar komen.

Gerard Krispijn