Een tijdje geleden schreef ik over mijn eerste kennismaking met de kleine trots van Mark.

Voor wie die gemist heeft: lees hem eerst even, anders mis je de helft van de ellende. 😂

in de eerste reactie staat de link naar de eerste column.

Van de week was ik weer bij de trotse Ouders .

Hier is die dan Mark, je vroeg of ik weer een column wilde schrijven

Code rood in de wieg deel 2

Van de week was ik weer eens op bezoek bij de trotse ouders.

Mark zette koffie neer, keek me lachend aan en zei:

“Man, ik heb zó gelachen om die column van jou. Want eerlijk is eerlijk… het was in het begin inderdaad niet best.”

Kijk. Daar hou ik van, zelfkennis.

Maar toen maakte hij een fout.

Hij wees naar zijn zoontje en vroeg:“Maar Geer , wat vind je nu van de kleine? Geef toe, stuk beter toch?”

Ik keek naar Mark.

Ik keek naar het kind.

En vervolgens weer naar Mark.

Heel even vroeg ik mij af of Mark vlak voor mijn komst een pot Bison Kit had opengeschroefd en daar een kwartier boven had zitten snuiven.

“Beter?” vroeg ik.

“Ja joh! Moet je kijken hoe hij veranderd is!”

Dus ik keek.

Het kind keek op de een of andere manier ook terug.

Nou ja… terug.

Zijn linkeroog keek ongeveer naar mij.

Zijn rechteroog leek ondertussen contact te zoeken met een satelliet boven Kazachstan.

Het ene oog stond op visite, het andere had duidelijk andere plannen.

“Hij kijkt al heel bewust,” zei Mark trots.

“Dat geloof ik direct,” zei ik. “Alleen weet ik nog niet precies naar wát.”

Mark hoorde de twijfel niet eens.

Trotse vaders hebben een ingebouwd filter. Je kunt zeggen dat hun kind eruitziet als een verkeersslachtoffer na een botsing met een betonmixer en zij horen:

“Wat een heerlijk koppie.”

Zijn moeder kwam erbij staan.

“Hij krijgt al echt trekjes van Mark, hè?”

Daar gingen we weer.

Ik keek naar Mark.

Twee ogen dezelfde kant op.

Neus keurig in het midden.

Oren op min of meer gelijke hoogte.

Daarna keek ik weer naar zijn zoon.

Nee.

Die DNA-test zou ik voorlopig nog maar even in de verpakking laten.

Het voordeel was wel: de kleur was beter.

De vorige keer lag er nog een oververhitte garnaal in de box die eruitzag alsof hij rechtstreeks uit een frituurpan was gekomen.

Nu begon er zowaar iets van menselijke kleur zichtbaar te worden.

“Zie je wel!” zei Mark.

“Absoluut,” zei ik. “De basisvorm begint langzaam door te komen.”

Mark straalde alsof ik zojuist had gezegd dat het kind was toegelaten tot de universiteit in Groningen.

Toen begon de kleine te lachen. Althans, ik denk dat het lachen was.

Zijn mond ging open, zijn linkerwang trok omhoog en één oog verdween half achter zijn neus.

Maar eerlijk is eerlijk: het was vooruitgang.

Vorige keer leek hij bij iedere gezichtsuitdrukking nog alsof hij aangifte tegen mij wilde doen.

“Nou?” vroeg Mark weer.

Ik nam een slok koffie.

Keek nog één keer naar het kind.

Het kind keek naar mij, naar het plafond én vermoedelijk naar de toekomst.

“Zeker beter, maat,” zei ik.

En dat meende ik ook.

Voor een deel.

Het deel dat naar mij keek, tenminste.

Ik heb mijn gebak opgegeten, mijn koffie opgedronken en daarna mijn jas gepakt.

“Wanneer kom je weer?” vroeg Mark.

Ik keek nog één keer over mijn schouder.

“Nog een maandje of drie, maat.”

“Waarom?”

“Gewoon. Even kijken of beide ogen dan inmiddels dezelfde vergadering bijwonen.”

Bedankt voor de koffie en het gebak.

En maak je geen zorgen, Mark.

Het komt vast goed.

Bij de vorige column voorspelde ik dat hij over drie maanden een mens zou worden.

Ik zat er alleen een paar maanden naast.

Gerard Krispijn