.

Het leven van een gitaarleraar is een voortdurende oefening in uitersten: de ene helft van de tijd voel je je Jimi Hendrix, de andere helft ben je een veredelde kleuterleider die wanhopig probeert te voorkomen dat iemand een plectrum in zijn neus stopt.

Gitaarles geven aan kinderen is namelijk een sport waarbij de fysieke wetten van de muziek niet gelden. Neem de gemiddelde achtjarige, laten we hem voor het gemak even 'Stijn' noemen. Stijn komt binnen met een gitaartas die groter is dan hijzelf, waardoor hij de kamer binnenstrompelt als een uit de kluiten gewassen schildpad met een identiteitscrisis.

Het eerste kwartier van de les wordt standaard opgeslokt door het ritueel van de Gitaar uit de Tas. Voor een kind is een rits namelijk geen sluiting, maar een cryptische puzzel uit een ontsnappingsruimte. Eenmaal bevrijd, blijkt de gitaar vaak gezelschap te hebben gehad van een half opgegeten liga, drie losse Pokémon-kaarten en een onverklaarbare hoeveelheid zand.

Dan begint het stemmen. Terwijl ik probeer de E-snaar te redden van een naderende knapbeurt, staart Stijn me aan met een blik die het midden houdt tussen totale verveling en een diepe existentiële crisis. "Meester," zegt hij dan, net als ik de perfecte toon te pakken heb. "Wist je dat mijn cavia gisteren een wortel heeft uitgepoept die precies op de letter L leek?"

Dit is de kern van de les. Je probeert de basisprincipes van de muziektheorie uit te leggen, maar je concurreert met cavia-anekdotes.
"Kijk Stijn, dit is het C-akkoord. Zet je ringvinger hier..."
Stijn kijkt naar zijn hand alsof het een vreemd buitenaards object is. Hij probeert zijn vingers in een positie te dwingen die fysiologisch onmogelijk is zonder botbreuken. Het resultaat? Een geluid dat het best te omschrijven is als een verkouden eend die tegen een elektrische afrastering landt.

"Mooi geprobeerd!" lieg ik met de overtuigingskracht van een slechte autoverkoper. "Probeer de snaar iets harder in te drukken."
Stijn zucht. De fysieke inspanning van het indrukken van een snaar is voor een kind vergelijkbaar met het tillen van een vrachtwagen. Na drie aanslagen krijgt hij 'last van zijn vingers'. De gitaar wordt neergelegd en hij begint uitgebreid te bestuderen hoe een eeltlaag zich (niet) vormt op zijn vingertoppen.

En dan komt de onvermijdelijke vraag, de heilige graal van de moderne gitaarles: "Meester, wanneer gaan we Seven Nation Army leren?"
Het maakt niet uit of ze klassiek, elektrisch of ukelele spelen; elk kind wil die ene riff spelen. Het feit dat ze nog geen toonladder kunnen onderscheiden van een ladder tegen de schuur, doet er niet toe. Ze willen rocken. En dus speel je mee. Je leert ze die drie noten op de dikke snaar.

Als de les voorbij is en Stijn weer met zijn schildpad-tas verdwijnt, blijft de nagalm van die ene, bijna zuivere noot hangen. Je weet dat hij thuis zijn gitaar pas weer aanraakt vijf minuten voordat hij volgende week weer voor je deur staat. Maar voor die ene seconde, daar tussen de cavia-verhalen en het zand door, zag hij eruit als een rockster. En dat is, ondanks de gesprongen snaren en de gehoorbeschadiging, stiekem best wel goud waard.

Gerard Krispijn