Als ik mijn ogen sluit en terugdenk aan de lagere school in de jaren 60 en 70, hoor ik niet het lawaai van de pauze. Ik hoor de stilte van het klaslokaal.

Het specifieke geluid van tientallen houten klapbankjes die tegelijkertijd opensprongen omdat we onze spullen moesten pakken. De lagere school van toen was een wereld van geuren die diep in mijn geheugen zijn gebleven.

De lucht van natte, wollen jassen die in de gang aan de kapstokken hingen te drogen na een flinke regenbui.

En binnen, in de klas, de herkenbare geur van boenwas, krijt van het schoolbord, en die geur van blauwe inkt. We leerden nog schrijven met een echte kroontjespen. Met uiterste concentratie doopte je de pen in het inktpotje dat verzonken zat in je houten schoolbank. Eén onvoorzichtige beweging en er viel een diepblauwe inktvlek op je hagelwitte schrift. Dan moest de inktlap eraan te pas komen om de schade te beperken. Je vingers waren aan het einde van de dag standaard helemaal blauw. De kunst van de jongens was het geduld opbrengen tot er een meisje met een lange staart voor hun bank langs liep en dan zo geniepig en stil mogelijk haar staart ongemerkt in de inktpot te "dippen".

De pikorde op het schoolplein werd niet bepaald door merkkleding, maar door de inhoud van je schooltas. De leren boekentas die je stijf op je rug droeg. Wie herinnert zich nog de houten schuifdoos vol met gloednieuwe Bruynzeel-potloden? De geur van vers geslepen hout als je met de puntenslijper aan de slag ging, was puur geluk.

En natuurlijk het poesiealbum. Dat lag altijd op de hoek van de bank bij de meisjes, in de hoop dat de juffrouw of de meester er een prachtig gedichtje in wilde schrijven, compleet met zo’n glanzend, romantisch plaatje van een engel of een mandje bloemen.

Als de bel ging voor het speelkwartier, renden wij met z'n allen het schoolplein op. Geen telefoons, geen ingewikkelde dingen. De meisjes hadden genoeg aan een elastiek tussen twee paar benen. Minutenlang sprongen ze ritmisch in en uit het elastiek, terwijl het gezang van de meiden over het plein galmde.

De jongens zaten op hun knieën in de goot, met knikkers te rollen in een zelfgemaakt kuiltje tussen de stoeptegels, met de tong tussen de tanden van de spanning. Of we deden aan stoepranden, waarbij de bal precies de rand van de overkant moest raken.

Bij het overblijven haalde je je trommeltje tevoorschijn. Geen hippe wraps of snacktomaatjes, maar droge boterhammen met tevoren gesmeerde leverpastei of hagelslag die al half in het witte casinobrood was getrokken.

Daarbij dronk je lauwe schoolmelk uit zo’n glazen flesje met een aluminium dopje, dat je met je duim naar binnen moest drukken. Soms was de melk in de winter half bevroren, en in de zomer warm en zurig, maar je dronk het braaf op.

De lagere school was streng, overzichtelijk en veilig. De meester of juf stood op een verhoging voor de klas en had nog echt gezag.

Die tijd is voorbij. De houten bankjes zijn vervangen door ergonomisch meubilair en het krijtbord door een digibord. Maar diep van binnen zit dat kind uit de jaren 60 en 70 nog steeds aan die houten tafel, met blauwe vingers, te staren naar de klok boven de deur, wachtend op de verlossende eindbel. En nu even de inktlap pakken.

Gerard Krispijn