Vroeger, toen ‘mobiel bellen’ nog betekende dat je een snoer van drie meter de gang in trok, was de telefooncel ons enige baken van hoop onderweg..
Maar laten we eerlijk zijn: de telefooncel was eigenlijk de eerste escaperoom uit de geschiedenis. Alleen was de puzzel niet ‘hoe kom ik eruit?’, maar ‘hoe krijg ik dit kreng aan de praat vóórdat ik flauwval door de geur?’
.Stap één was de deur. Die woog ongeveer tachtig kilo en werkte met een veersysteem dat speciaal was ontworpen om je vingers te pletten of je tas te onthoofden.
Eenmaal binnen bevond je je in een glazen aquarium vol met de aroma’s van oude shag, natte hond , pis en wanhoop.
Dan begon het gevecht met de techniek. Je stond daar met een zweterige handvol dubbeltjes en kwartjes. Het toestel keek je meedogenloos aan. “Heb je wisselgeld?” vroeg het apparaat zwijgend. Natuurlijk niet. Je had alleen een knaak, en die vrat de machine op zonder pardon, waarna je drie minuten lang moest praten als een veilingmeester om de waarde eruit te halen.
En de privacy? Een illusie. Terwijl jij je diepste liefdesgeheimen opbiechtte aan een krakende lijn, stond er buiten een ongeduldige meneer met een aktetas tegen het glas te tikken. Hij keek naar je alsof je persoonlijk verantwoordelijk was voor de val van het Romeinse Rijk.
Je probeerde hem te negeren door verwoed te bladeren in de Telefoongids, die met een dikke staalkabel vastzat. Die gids was altijd nat, miste de pagina ‘Jansen tot Pietersen’ en diende hoofdzakelijk als kladblok voor dubieuze telefoonnummers en anatomische (ahum) tekeningen.
Het ergste was het einde van het gesprek. “TIEK-TIEK-TIEK” het fatale geluid dat je geld op was. Geen waarschuwing, geen genade. Midden in je zin: “Ik hou van…” — KLIK. Verbinding weg. Daar stond je dan., in je glazen kooi, starend naar een dode hoorn, terwijl de man buiten triomfantelijk de deur openrukte.Vandaag de dag hebben we 5G en iPhones.
Maar soms mis ik het wel: dat heroïsche gevoel wanneer je na drie keer proberen eindelijk een kwartje zag vallen. Letterlijk en figuurlijk.
Gerard Krispijn.