Mijn vriend Henk heeft dus een opruimcoach over de vloer gehad. Ja, je leest het goed: een opruimcoach. Alsof zijn huis zich voorbereidt op de Olympische Spelen van het "minimaal bezit".

Het begon allemaal nadat Henk, na veertig jaar werken en inmiddels voorzien van een indrukwekkende verzameling lichamelijke mankementen (hij klinkt soms als een oud dressoir als hij opstaat), in de bijstand belandde.

Het UWV had geen tijd, geen mensen en waarschijnlijk ook geen zin, dus hup: eerst maar eens bijstand. En bijstand betekent blijkbaar ook: huisbezoek. En huisbezoek betekent: Monique.

Monique is dus opruimcoach. Dat is geen baan, dat is een levenshouding. Monique komt niet binnen, Monique landt. Met een glimlach die tegelijk geruststellend en licht bedreigend is, en met zinnen als: “We gaan samen ruimte creëren.”
Ruimte waarvoor, vroeg Henk zich hardop af. Voor nieuwe spullen?

Want Henk verzamelt. Niet een beetje. Niet “ik heb een plankje met souvenirs”. Nee, Henk verzamelt alsof hij zich voorbereidt op het moment dat de beschaving instort en hij als enige nog weet waar je een kapotte afstandsbediening uit 1998 voor kunt gebruiken.

Monique keek rond. Stilte. Een diepe, professionele stilte. Je hoorde haar innerlijke stem bijna zeggen: dit wordt mijn meesterwerk.

“Een opgeruimd huis is een opgeruimd hoofd,” zei ze uiteindelijk.

Henk keek haar aan alsof ze zojuist had voorgesteld om zijn linkerbeen te amputeren.
“Mijn hoofd is prima,” zei hij. “Het is mijn huis dat creatief is ingericht.”

Wat volgde was een dialoog die ergens tussen filosofie en cabaret hing.

Monique: “Heb je dit echt nodig?”
Henk: “Dat weet je nooit.”
Monique: “Wanneer heb je het voor het laatst gebruikt?”
Henk: “Dat is irrelevant.”
Monique: “Waarom bewaar je het dan?”
Henk: “Omdat ik het nog niet heb weggegooid.”

Op een gegeven moment hield Monique een doos omhoog met daarin kabels waarvan zelfs de NASA niet meer zouden weten waar ze voor dienen.
“Dit kan weg,” zei ze vastberaden.

Henk schrok zichtbaar. “Rustig aan, Monique. Dat zijn mijn reservekabels.”
“Voor wat?”
“Voor… dingen.”

Je zag Monique even wankelen. Dit was geen rommel, dit was een levensfilosofie in kabelvorm.

Maar het absolute hoogtepunt kwam toen ze bij de keukenlade aankwamen. Je kent die lade. Iedereen heeft er één. De lade van dingen. Elastiekjes, batterijen zonder bestemming, een sleutel waarvan niemand weet waar hij op past, en minstens drie schroevendraaiers die eigenlijk te klein zijn voor alles.

“Hier gaan we echt orde in scheppen,” zei Monique, zichtbaar opgelucht dat ze iets herkenbaars had gevonden.

“Blijf van die lade af,” zei Henk onmiddellijk. “Dat is mijn systeem.”

“Dit is geen systeem.”
“Dit is een hoogontwikkeld systeem. Ik weet precies waar alles ligt.”

Monique trok een wenkbrauw op. “Waar ligt de reservebatterij?”
Henk, zonder te kijken: “Linkerhoek, onder de kurk van een wijnfles die ik nooit ga gebruiken.”
En verdomd, hij had gelijk.

Vanaf dat moment veranderde de dynamiek. Monique begon te begrijpen dat ze hier niet te maken had met chaos, maar met een soort archeologisch archief van een mensenleven. Elk object had een verhaal. Of in elk geval een potentieel verhaal.

Aan het eind van de dag was er… nou ja, niet echt minder rommel. Maar er was wel één plank leeg.

“Zie je wel,” zei Monique trots. “Dat geeft rust.”

Henk keek naar de lege plank, zuchtte diep en zei:
“Ja, het voelt eerlijk gezegd alsof er iets ontbreekt.”

En terwijl Monique haar spullen inpakte, zag ik Henk al voorzichtig rondkijken.
Alsof hij dacht: die plank… daar kan nog best iets moois op.

En ergens, diep vanbinnen, wist ik: dit was pas ronde één.
Gerard Krispijn