Er is een specifieke generatie die bij het horen van een simpele vierkwartsmaat spontaan de wijsvinger in de lucht steekt. Je weet precies over welke periode ik het heb: de late jaren ’70 en vroege jaren ’80. De tijd waarin John Travolta eigenhandig de verkoop van haarlak en strakke witte pakken tot recordhoogtes dreef en waarin we collectief besloten dat ademhalen in je kleding niet echt nodig was.
Laten we eerlijk zijn: het was een visueel slagveld. Iedereen die beweert dat de jaren ’70 puur ‘cool’ waren, is vergeten dat we destijds rondliepen in broeken met pijpen zo wijd dat je er een gemiddelde VW Kever in kon parkeren. Kleding werd niet gemaakt van katoen, het werd gemaakt van puur polyester.
Een stof die zo gevaarlijk was dat, als je te dicht langs een open vuurtje liep, je broek ter plekke in brand vloog. Voeg daar de vetkuif uit Grease aan toe, en de gemiddelde tienerkamer rook destijds naar een mix van frituurvet en Clearasil.
Het magische jaar 1978 was het absolute hoogtepunt. In de bioscoop smolten we weg bij Olivia Newton-John in haar zwarte, glimmende nepleren broek — een kledingstuk dat zo strak zat dat ze er naar verluidt in genaaid was. Thuis probeerden we dat massaal na te doen met een veel te krappe spijkerbroek, liggend op je rug op bed, terwijl je met een tang de rits probeerde te sluiten. Comfort was voor watjes, ook al stonden de afdrukken van je rits daarna nog 14 dagen in je buik geprint.
En dan had je de discotheek. Geïnspireerd door Saturday Night Fever dachten we allemaal dat we de lenigheid van een jonge god hadden. Maar waar Travolta over de verlichte dansvloer gleed alsof hij was ingesmeerd met boter, leken de meesten van ons eerder op een houten klaas die per ongeluk een horzel in zijn T-shirt had gekregen. Het maakte niet uit. Zolang de Bee Gees maar door de speakers knalden, waanden we ons onoverwinnelijk. Stayin’ Alive was niet zomaar een hit, het was een strategie op de dansvloer terwijl je probeerde niet te struikelen over je eigen plateauzolen.
Toen de jaren ’80 aanbraken, werd het er qua subtiliteit niet beter op. Met films als Fame en Flashdance vonden we dat beenwarmers plotseling overal bij pasten — ja, zelfs onder een nette rok. Het was een heerlijk simpele tijd waarin we dachten dat de toekomst voor altijd bepaald zou worden door neonverlichting en draaiende discoballen aan het plafond.
Als ik nu oude foto’s bekijk, lig ik in een deuk. We zagen eruit als wandelende zuurstokken met veel te veel spray in ons haar. Maar stiekem, heel stiekem, mis ik die tijd nog best wel eens. De tijd waarin een dansfilm nog de wereld kon veranderen, en waarin je met een paar glimmende schoenen en de juiste heupbeweging heel even de koning van de wereld was. Of tenminste, de koning van de lokale dorpsdisco.
Gerard Krispijn