Toen ik klein was, begon de avond niet met een swipe op een scherm, maar met het geduldige opwarmen van de beeldbuis. Ik herinner me nog goed hoe ik op de grond zat, wachtend tot het grijze flikkeren plaatsmaakte voor de werelden die mijn jeugd kleur gaven.

Mijn dagelijkse reis begon vaak met het rammelen van de pipowagen. Ik zag mezelf al meeliften met Pipo en Mamaloe, zwaaiend naar de vogels en de bloemen. Ik moest altijd lachen om Klukkluk, de indiaan die "mij zijn ook heel dapper" zei, terwijl hij eigenlijk net zo bang was als ik voor de boze Dikke Deur.

Pipo was voor mij de grote vriend die liet zien dat je met een lach en "Sapperdeflap" elk probleem de baas kon.

Later op de middag mocht ik even kijken in de keuken van Saartje. Ik rook de denkbeeldige geur van versgezette koffie en zag hoe Swiebertje met een ondeugende glimlach weer een koekje wist te bemachtigen.

Ik vond het prachtig hoe hij die strenge Bromsnor altijd te slim af was. Voor mij was Swiebertje geen zwerver, maar de man die de vrijheid had waar ik als kind alleen van kon dromen, altijd beschermd door de deftige Burgemeester die stiekem ook wel om hem moest lachen.

Maar het mooiste moment was het ritueel vlak voor bedtijd. Zodra de muziek van De Fabeltjeskrant begon, wist ik dat de dag voorbij was. Ik kroop nog even dicht tegen mijn ouders aan terwijl Meneer de Uil zijn krant opensloeg.

Ik luisterde naar de ruzies tussen Juffrouw Ooievaar en de andere dieren, en voelde mee met Bor de Wolf in zijn Praathuis. Het voelde veilig en vertrouwd, alsof het Grote Dierenbos een verlengstuk was van mijn eigen huiskamer.

Als Meneer de Uil dan die legendarische woorden sprak "Oogjes dicht en snaveltjes toe" dan wist ik dat het goed was. Ik ging naar boven met een hoofd vol verhalen van een clown en indiaan en een uil met dieren wetende dat zij er morgen weer zouden zijn.

Het was een tijd van eenvoud en geborgenheid die ik nu, zoveel jaren later, nog steeds in mijn hart meedraag.

Wat was het fijn klein te zijn.

Gerard Krispijn.