De Grote Verdwijning van de Tussenwervelschijf
Daar stonden we dan. In een kamertje dat rook naar lavendel en valse hoop, keek ik toe hoe mijn beste maat zich vrijwillig overgaf aan een man die in de volksmond de ‘Chiropracticus’ wordt genoemd – maar die ik na vijf minuten simpelweg ‘De Slachter van de Lage Rug’ doopte.
Het begon allemaal heel sereen. De beste man voelde even aan de nek van mijn maat alsof hij een rijpe avocado inspecteerde bij de Lidl. Maar schijn bedriegt. Voor ik het wist, greep de Chiropracticus het hoofd van mijn maat vast met de kracht van een hongerige grizzlybeer. Hij gaf een ruk waar een professionele worstelaar nog een puntje aan kon zuigen, en toen gebeurde het: KRAK.
Het geluid was niet menselijk. Het klonk alsof iemand een zak chips plette in een echoput, gecombineerd met het breken van een vers stokbrood. Ik keek naar mijn maat, verwachtend dat zijn hoofd nu als een losse bowlingbal over de laminaatvloer zou rollen, maar hij bleef gewoon liggen. "Lekker hoor," mompelde hij, terwijl zijn ogen nog alle kanten op tolden als een kapotte gokkast.
En toen de tafel. Dat was geen medisch meubilair, dat was een middeleeuws martelwerktuig met een ingebouwde identiteitscrisis. Mijn maat ging erop liggen als een lam naar de slachtbank. Plotseling zette de bottenkraker zijn handen op de onderrug van mijn vriend, leunde erop met het gewicht van een volwassen nijlpaard en — KLABAM! — de tafel stortte met een knal omlaag.
Ik sprong zowat door het plafond. Ik dacht oprecht dat mijn maat zojuist door de vloer naar de kelder van de onderburen was gepromoveerd. Het klonk alsof er een piano van een flatgebouw viel, maar de Chiropracticus keek erbij alsof hij alleen maar een eitje tikte. "Ligt je bekken weer recht?" vroeg hij. Mijn maat kon alleen maar wat onverstaanbaar gorgelen terwijl zijn organen waarschijnlijk nog op zoek waren naar hun oorspronkelijke plek.
Vervolgens was de rest van de rug aan de beurt. De Chiropracticus nam een aanloop – ik zweer het je, hij nam een aanloop – en lanceerde zichzelf met zijn volle gewicht op de wervelkolom van mijn vriend. Het was pure natuurkunde: de wet van behoud van ellende.
Ik zag de ziel van mijn maat voor een fractie van een seconde zijn lichaam verlaten, even naar mij zwaaien, en weer terugschieten.
Na een kwartier mocht mijn maat vijftig euro aftikken. We liepen naar buiten en ik keek naar hem. Hij liep kaarsrecht, maar dat was puur de adrenaline die zijn lichaam vertelde dat hij moest vluchten .
De volgende keer dat hij rugpijn heeft, zet ik hem wel op een wipkip in de speeltuin. Dat geeft dezelfde herrie en het kost me alleen een ijsje.
Gerard Krispijn