Wie wel eens een zomermiddag in Scheveningen heeft doorgebracht, weet dat de boulevard tegen vieren verandert in een biologisch rariteitenkabinet. Het is het uur waarop de koperen ploert zijn tol eist en de mensheid transformeert in een assortiment uit de vitrine van de Febo.

Kijk maar naar de Britten. Die komen wit als een laken aan en vertrekken als een felrode kreeft, verbrand tot op de naad van hun zwembroek. Maar het is niet alleen de kleur die opvalt, het is de motoriek.

De combinatie van zout water, schurend zand en een opperhuid die de temperatuur van een oververhitte frituurpan heeft bereikt, zorgt voor een specifieke loop. Daar gaan ze: een hele kolonie die waggelt als een pinguïn met acute luieruitslag.

Elke stap is een tactische manoeuvre om de schurende wrijving tussen de dijen te minimaliseren. Het is een collectieve mars van rood vlees die snakt naar de schaduw.

Tussen die pinguïnmars door manoeuvreren de zwaargewichten. De kerels die zich zo fanatiek met factor 50-olie hebben ingesmeerd dat ze fungeren als menselijke vliegenvangers.

Werkelijk elk zandkorreltje aan de Noordzeekust heeft zich aan hun bast gehecht. Het resultaat? Een leger van gepaneerde bitterballen op slippers.
Ze glimmen niet meer; ze zijn volledig gematteerd door het Scheveningse stuifzand. Je verwacht elk moment dat de snackbarhouder op de hoek ze met een reusachtige schuimspaan van de boulevard schept om ze direct in het vet te laten zakken.

Maar het echte spektakel begint pas ’s avonds op de terrassen. Daar zitten ze dan, de 'gepaneerde' heren en de 'gekookte' kreeften, zij aan zij. De Britse pinguïns hebben inmiddels de eerste hulp ingeroepen van de groenteboer. Je ziet ze zitten met schijfjes komkommer op de schouders en plakjes tomaat in de nek, in een wanhopige poging de brand te blussen. Het terras ziet eruit als een rijdende saladebar.

Terwijl ze voorzichtig aan hun lauwe pilsje nippen – want elke beweging van de kaak doet pijn aan de verbrande wangen – dwarrelt er nog steeds wat Schevenings zand uit de plooien van de bitterbal-mannen.

Het is een tragikomisch schouwspel van rood vlees en zanderige korstjes. In Scheveningen hoef je niet naar de bioscoop; de menselijke frituurpan op de boulevard biedt meer vermaak dan welke blockbuster dan ook.

Als de laatste zonnestralen achter de pier zakken en de terrasjes langzaam leeglopen, voltrekt zich het sluitstuk van deze culinaire komedie. Het is tijd voor de grote volksverhuizing richting de tram en de parkeergarages.

Daar gaan ze weer, de Britse toeristen. De komkommerschijfjes zijn inmiddels verdroogd tot rimpelige augurkjes en vallen bij elke stap als confetti op het asfalt. De pinguïn-waggel is nu nog extremer geworden; de stijfheid van de verbrande knieholtes dwingt ze tot een beweging die het midden houdt tussen een kapotte robot en een eend met ernstige bekkeninstabiliteit. Het is een collectieve, wijdbeense dodenmars van rood vlees, begeleid door het zachte gekerm bij elke drempel.

En daar tussendoor rollen de gepaneerde bitterballen. Inmiddels is het zand zo diep in hun poriën getrokken dat ze bij elke stap een subtiel schurend geluid maken, alsof er twee stukken schuurpapier langs elkaar heen gaan. Ze laten een klein spoor van Schevenings duinzand achter op de bekleding van de HTM-tram, een blijvende herinnering aan hun transformatie.

Terwijl de tramdeuren sluiten, zie je ze zitten: een coupévól roodgloeiende, gepaneerde ellende. Ze kijken naar buiten met de blik van een geslagen hond, wetende dat de nacht met de aftersun en de plakkende lakens nog moet beginnen.

Maar ach, morgen schijnt de zon weer, en dan staat de frituurpan van de boulevard gewoon weer wagenwijd open voor een nieuwe lading slachtoffers.

Gerard Krispijn