Het is 1977. Je bent vijftien, je hormonen gieren door je lijf als een opgevoerde Zündapp en je staat op het punt om de meest ongemakkelijke avond van je leven te beleven: je eerste echte 'fuif' in de bijkeuken of een omgebouwde garage.

Vergeet hippe clubs of Tinder. In de jaren '70 was de arena van de liefde een ruimte die rook naar vochtige jassen, frituurvet en de zware walm van Patchouli. De muren waren behangen met posters uit de Popfoto (Farrah Fawcett voor de jongens, Leif Garrett voor de meiden) en het enige licht kwam van een discolamp die eigenlijk een geverfde gloeilamp in een conservenblik was.

De outfit? Een clownesk strakke spijkerbroek met wijde pijpen (merk: Wrangler of Levi’s 501) waarbij je je buik moest inhouden om de rits dicht te krijgen, en een glanzend overhemd met een boord die zo groot was dat je er bij tegenwind mee weg kon vliegen.

De avond bestond uit twee kampen. Links de jongens, die stoer deden met een flesje Skol-bier of een glas Bessen-Sisi en probeerden niet over hun eigen plateauzolen te struikelen. Rechts de meisjes, die in een kringetje stonden te giechelen en elkaars lipgloss (met aardbeiensmaak!) bijwerkten.

En dan, het moment waar iedereen op wachtte én tegenop zag: de schuifelsessie.
De uptempo nummers van Boney M maakten plaats voor de heilige graal van de bakvis-romantiek. Zodra de eerste tonen van 'When a Man Loves a Woman' of 'A Whiter Shade of Pale' uit de krakende boxen kwamen, steeg de spanning naar een kookpunt. Je moest 'vragen'. Met klamme handjes liep je op je doelwit af. Als ze "ja" knikte, begon de rituele paringsdans van de jaren '70.

Schuifelen was een kunstvorm. Je hield elkaar vast met de armen gestrekt als een stijve hark, terwijl je op een oppervlakte van een stoeptegel langzaam om je as draaide. Er was de 'veiligheidsafstand' van minimaal tien centimeter die je angstvallig bewaarde, terwijl je probeerde niet op haar clogs te trappen. De geur van haar Impulse-deo mengde zich met jouw Old Spice, en ondertussen hoopte je vurig dat je vader niet ineens de garage binnenkwam met een schaal huzarensalade.

Tegen de tijd dat Percy Sledge zijn laatste uithaal deed, was je óf tot over je oren verliefd, óf doodsbang voor de volgende plaat. De catering bestond uit kaasstengels in een glas en cola die na een uur lauw was geworden, maar dat boeide niet. Je was vijftien, de wereld was bruin en oranje, en als je die avond een hand had mogen vasthouden, was je de koning van het schoolplein.

Geen DM’s, geen swipes. Gewoon drie minuten lang ongemakkelijk zweten op de maat van een ballad. Het was magisch

Gerard Krispijn