Daar sta ik dan. In een gang die ruikt naar een explosie in een zwitsal-fabriek en de vroege dood van mijn sociale leven. Ik heb dertig euro uitgegeven aan een knuffelbeer van biologisch katoen, maar eerlijk? Ik had dat geld beter kunnen investeren in een stevige fles wodka. Voor mezelf.

De kersverse vader leidt me de woonkamer in met een blik alsof hij zojuist hoogstpersoonlijk het internet heeft uitgevonden. "Kijk dan," fluistert hij hees, terwijl hij naar de box wijst. "Daar ligt-ie. Onze kleine trots."

Ik loop naar de box, kijk over de rand en mijn hart slaat een slag over. Niet van ontroering, maar van pure, ongefilterde shock. In de wieg ligt iets wat het midden houdt tussen een boze garnaal en een ontdooide diepvrieskip. Het kind is zo rood dat ik me afvraag of de oven niet op 200 graden stond, en zijn hoofd heeft de vorm van een skippybal die drie weken onder een vrachtwagen heeft gelegen.

"En?" vraagt de moeder vanaf de bank, nog half in de kreukels van de ruggenprik. "Lijkt hij niet sprekend op Mark?"
Ik kijk naar de baby. Ik kijk naar Mark. Mark heeft een baard en een redelijk symmetrisch gezicht. De baby heeft een driedubbele onderkin die vloeiend overloopt in zijn borstkas en kijkt alsof hij zojuist heeft ontdekt dat de pensioenleeftijd naar 72 is gegaan.

"Nou," pers ik eruit terwijl ik mijn gezicht in een plooi probeer te houden die niet op een epileptische aanval lijkt. "Je ziet echt dat het... een heel karakteristiek snuitje is. Een echte persoonlijkheid, nu al!"

De baby trekt een grimas. Hij lijkt nu op een gepensioneerde havenmeester die net een hap bedorven haring heeft genomen.
"Hij heeft een wat droge huid," verontschuldigt de moeder zich. "We smeren hem nu drie keer per dag in met zinkolie."

Ik kijk naar de commode, waar een pot staat die groot genoeg is om een heel viaduct mee te plamuren. Zinkolie. Dat is geen zalf, dat is industriële grondverf.

Het is de enige manier om die vurige garnaal-look te maskeren met een laag wit die zelfs een kernramp zou overleven. Het kind ziet er nu uit als een slecht geschminkte clown in opleiding.

"Wil je hem even vasthouden?" vraagt Mark.
Voor ik "ik heb last van vliegende tering" kan roepen, krijg ik het warme, glibberige pakketje in mijn armen geschoven. De baby slaat zijn ogen op. Het zijn twee waterige spleetjes die in totaal verschillende richtingen turen. Eén oog kijkt naar mijn neus, het andere naar de nooduitgang. Slim kind, denk ik. Dat oog heeft de juiste richting gekozen.

"Wat vind je van zijn oortjes?" dweept de moeder.
Ik staar naar de flappen die groot genoeg zijn om een 5G-signaal uit de stratosfeer op te vangen. "Wauw," zeg ik. "Die zijn... aerodynamisch. Daar gaat-ie later heel goed mee kunnen luisteren!"

Ik voel een warme stroom door het rompertje op mijn arm trekken. De baby heeft besloten dat mijn aanwezigheid een vreugdescheut verdient. Of hij probeert de laag zinkolie van binnenuit weg te spoelen.
"Oei!" roep ik, sneller dan een Formule 1-monteur. "Ik geloof dat er een cadeautje aan de achterkant aankomt! Hier Mark, snel, voor de expert!"

Ik duw de warme, witte aardappel terug in zijn handen en vlucht naar de keuken voor een beschuit met muisjes. Terwijl de kruimels mijn luchtpijp teisteren en ik bijna stik, denk ik maar één ding: over drie maanden wordt het vast een mens. Tot die tijd blijf ik gewoon heel hard liegen

Gerard krispijn .