Mijn vader was een man van diepe, filosofische wijsheid. (Kuch, kuch.) Een van zijn favoriete tegeltjeswijsheden luidde: "Alles wat je knapper bent dan een aap, is meegenomen."
Jarenlang dacht ik dat dit een vrolijke metafoor was. Een grapje om te relativeren dat we niet allemaal als George Clooney of Brad Pitt geboren zijn.
Tot vanmorgen.
Ik stond in de badkamer. Het licht was echt fel. Ik keek in de spiegel en plotseling hoorde ik de stem van mijn vader door mijn hoofd galmen. Ik keek nog eens goed. Ik bestudeerde mijn reflectie van links, van rechts en hield mijn adem in.
"Nou, ouwe," fluisterde ik richting het plafond. "Ik weet het nu even niet meer. Volgens mij sta ik diep in de min."
Het begon bij de haarlijn. Die is niet zozeer aan het wijken, maar lijkt een strategische terugtrekkende beweging te maken richting mijn nek. Wat er aan de bovenkant verdwijnt, duikt echter op mysterieuze wijze ergens anders weer op.
Mijn oren hebben tegenwoordig een eigen bosplantage. De plukken wol die daar groeien, zouden niet misstaan op een jonge chimpansee.
En dan de houding. Als ik ’s ochtends uit bed kom, loop ik de eerste tien minuten in een hoek van vierennegentig graden. Mijn armen hangen net iets te laag. Als er op dat moment een banaan op de vloer zou liggen, had ik hem waarschijnlijk met mijn tenen opgeraapt zonder erbij na te denken.
Vroeger dacht ik dat de evolutietheorie van Darwin een rechte lijn omhoog was. Van oersoep naar mensaap, naar de moderne, rechtopstaande Homo sapiens. Nu ik de spiegel vanmorgen heb gezien, vermoed ik dat Darwin een belangrijk hoofdstuk heeft weggelaten: de 'de-evolutie van de zestiger'.
We beginnen als soepele wezens en eindigen langzaam weer als rimpelige mensapen die boos naar hun eigen spiegelbeeld brommen omdat de koffie te slap is.
Mijn vader had gelijk. Maar hij vergat te waarschuwen dat die voorsprong op de chimpansee een houdbaarheidsdatum heeft.
Vanaf morgen douche ik met het licht uit.
En die bananen?
Die laat ik voortaan liggen.